 |
| اقْتَرَبَتِ السَّاعَةُ وَانْشَقَّ الْقَمَرُ {١} |
1. Het uur des oordeels nadert en de maan is gespleten. |
| وَإِنْ يَرَوْا آيَةً يُعْرِضُوا وَيَقُولُوا سِحْرٌ مُسْتَمِرٌّ {٢} |
2. Maar als de ongeloovigen een teeken zien, wenden zij zich af, zeggende: dit is eene machtige betoovering. |
| وَكَذَّبُوا وَاتَّبَعُوا أَهْوَاءَهُمْ ۚ وَكُلُّ أَمْرٍ مُسْتَقِرٌّ {٣} |
3. En zij beschuldigen u, o Mahomet! van bedrog, en volgen hunne eigene lusten: maar ieder ding zal onveranderlijk bepaald wezen. |
| وَلَقَدْ جَاءَهُمْ مِنَ الْأَنْبَاءِ مَا فِيهِ مُزْدَجَرٌ {٤} |
4. En nu is eene zending tot hen gekomen, waarin eene afschrikking voor hardnekkig ongeloof ligt opgesloten. |
| حِكْمَةٌ بَالِغَةٌ ۖ فَمَا تُغْنِ النُّذُرُ {٥} |
5. Deze wijsheid is volkomen; maar waarschuwers helpen bij hen niet. |
| فَتَوَلَّ عَنْهُمْ ۘ يَوْمَ يَدْعُ الدَّاعِ إِلَىٰ شَيْءٍ نُكُرٍ {٦} |
6. Wend u dus van hen af! Den dag waarop de dagvaardende engel den mensch tot eene verschrikkelijke zaak zal oproepen. |
| خُشَّعًا أَبْصَارُهُمْ يَخْرُجُونَ مِنَ الْأَجْدَاثِ كَأَنَّهُمْ جَرَادٌ مُنْتَشِرٌ {٧} |
7. Zullen zij met nedergeslagen blikken uit hunne graven komen, talrijk, als verspreide sprinkhanen. |
| مُهْطِعِينَ إِلَى الدَّاعِ ۖ يَقُولُ الْكَافِرُونَ هَٰذَا يَوْمٌ عَسِرٌ {٨} |
8. Zich met schrik naar den dagvaarder spoedende. De ongeloovigen zullen zeggen: Dit is een dag van droefheid. |
| كَذَّبَتْ قَبْلَهُمْ قَوْمُ نُوحٍ فَكَذَّبُوا عَبْدَنَا وَقَالُوا مَجْنُونٌ وَازْدُجِرَ {٩} |
9. Het volk van Noach beschuldigde dien profeet, alvorens uw volk u verwierp, het beschuldigde onzen dienaar van bedrog; zeggende: Hij is een bezetene, en hij werd met verwijtingen verworpen. |
| فَدَعَا رَبَّهُ أَنِّي مَغْلُوبٌ فَانْتَصِرْ {١٠} |
10. Hij riep daarom zijn Heer aan, zeggende: Waarlijk, ik ben overweldigd: wreek mij dus. |
| فَفَتَحْنَا أَبْوَابَ السَّمَاءِ بِمَاءٍ مُنْهَمِرٍ {١١} |
11. Daarop openden wij de poorten des hemels, waaruit het water stroomde. |
| وَفَجَّرْنَا الْأَرْضَ عُيُونًا فَالْتَقَى الْمَاءُ عَلَىٰ أَمْرٍ قَدْ قُدِرَ {١٢} |
12. Wij deden de aarde waterstralen uitwerpen, zoodat het water van hemel en aarde zich vereenigde, overeenkomstig het vastgestelde besluit. |
| وَحَمَلْنَاهُ عَلَىٰ ذَاتِ أَلْوَاحٍ وَدُسُرٍ {١٣} |
13. Wij droegen hem, op een schip, uit planken en spijkers samengesteld. |
| تَجْرِي بِأَعْيُنِنَا جَزَاءً لِمَنْ كَانَ كُفِرَ {١٤} |
14. Dat zich voor onze oogen voortbewoog, als eene belooning voor hem, die ondankbaar was verworpen. |
| وَلَقَدْ تَرَكْنَاهَا آيَةً فَهَلْ مِنْ مُدَّكِرٍ {١٥} |
15. Wij lieten dat schip tot een teeken dienen. Maar is iemand daardoor gewaarschuwd? |
| فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِي وَنُذُرِ {١٦} |
16. En hoe gestreng was mijne wraak en mijne bedreiging! |
| وَلَقَدْ يَسَّرْنَا الْقُرْآنَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِنْ مُدَّكِرٍ {١٧} |
17. Nu hebben wij den Koran gemakkelijk tot eene waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd? |
| كَذَّبَتْ عَادٌ فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِي وَنُذُرِ {١٨} |
18. De stam van Ad beschuldigde hunnen profeet van bedrog; maar hoe ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging! |
| إِنَّا أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ رِيحًا صَرْصَرًا فِي يَوْمِ نَحْسٍ مُسْتَمِرٍّ {١٩} |
19. Waarlijk, wij zonden, op een dag van voortdurend ongeluk een brullenden wind tegen hen. |
| تَنْزِعُ النَّاسَ كَأَنَّهُمْ أَعْجَازُ نَخْلٍ مُنْقَعِرٍ {٢٠} |
20. Die de menschen wegvoerde, als waren zij met kracht uitgescheurde wortels van palmboomen. |
| فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِي وَنُذُرِ {٢١} |
21. En hoe ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging! |
| وَلَقَدْ يَسَّرْنَا الْقُرْآنَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِنْ مُدَّكِرٍ {٢٢} |
22. Thans hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd? |
| كَذَّبَتْ ثَمُودُ بِالنُّذُرِ {٢٣} |
23. Die van Thamoed beschuldigden de vermaningen van hunnen profeet van valschheid. |
| فَقَالُوا أَبَشَرًا مِنَّا وَاحِدًا نَتَّبِعُهُ إِنَّا إِذًا لَفِي ضَلَالٍ وَسُعُرٍ {٢٤} |
24. En zij zeiden: Zullen wij een enkel man als wij, onder ons volgen? Waarlijk, wij zouden aan dwaling en ongerijmde dwaasheid schuldig zijn. |
| أَأُلْقِيَ الذِّكْرُ عَلَيْهِ مِنْ بَيْنِنَا بَلْ هُوَ كَذَّابٌ أَشِرٌ {٢٥} |
25. Zou de taak van waarschuwing hem, boven het overige gedeelte van ons, opgedragen zijn? Neen, hij is een leugenaar en een onbeschaamde bedrieger. |
| سَيَعْلَمُونَ غَدًا مَنِ الْكَذَّابُ الْأَشِرُ {٢٦} |
26. Maar God zeide tot Saleh: Morgen zullen zij weten wie een leugenaar en een onbeschaamde is; |
| إِنَّا مُرْسِلُو النَّاقَةِ فِتْنَةً لَهُمْ فَارْتَقِبْهُمْ وَاصْطَبِرْ {٢٧} |
27. Want wij zullen zekerlijk de wijfjes-kameel zenden, om hen te beproeven; en gij, sla hen gade, en verdraag hunne beleedigingen met geduld. |
| وَنَبِّئْهُمْ أَنَّ الْمَاءَ قِسْمَةٌ بَيْنَهُمْ ۖ كُلُّ شِرْبٍ مُحْتَضَرٌ {٢٨} |
28. Voorspel hun, dat het water der putten tusschen hen zal worden verdeeld, en ieder deel zal beurtelings nedergezet worden. |
| فَنَادَوْا صَاحِبَهُمْ فَتَعَاطَىٰ فَعَقَرَ {٢٩} |
29. Zij riepen hunnen makker, en hij nam een zwaard en doodde haar, |
| فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِي وَنُذُرِ {٣٠} |
30. Maar hoe ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging! |
| إِنَّا أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ صَيْحَةً وَاحِدَةً فَكَانُوا كَهَشِيمِ الْمُحْتَظِرِ {٣١} |
31. Want wij zonden hun een enkelen kreet van den engel Gabri�l te gemoet, en zij werden als de droge stokken, die gebruikt worden door dengeen, welke een kooi voor het vee bouwt. |
| وَلَقَدْ يَسَّرْنَا الْقُرْآنَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِنْ مُدَّكِرٍ {٣٢} |
32. En thans hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd? |
| كَذَّبَتْ قَوْمُ لُوطٍ بِالنُّذُرِ {٣٣} |
33. Het volk van Lot beschuldigde zijne prediking van valschheid. |
| إِنَّا أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ حَاصِبًا إِلَّا آلَ لُوطٍ ۖ نَجَّيْنَاهُمْ بِسَحَرٍ {٣٤} |
34. Maar wij zonden een wind tegen hen, die eene regenbui van steenen voortdreef, welke hen allen verdelgde, behalve het gezin van Lot, dat wij vroeg in den ochtend bevrijdden. |
| نِعْمَةً مِنْ عِنْدِنَا ۚ كَذَٰلِكَ نَجْزِي مَنْ شَكَرَ {٣٥} |
35. Dit was door onze gunst. Zoo beloonen wij hen, die dankbaar zijn. |
| وَلَقَدْ أَنْذَرَهُمْ بَطْشَتَنَا فَتَمَارَوْا بِالنُّذُرِ {٣٦} |
36. En Lot had hen gewaarschuwd voor onze gestrenge kastijding; maar zij twijfelden aan die waarschuwing. |
| وَلَقَدْ رَاوَدُوهُ عَنْ ضَيْفِهِ فَطَمَسْنَا أَعْيُنَهُمْ فَذُوقُوا عَذَابِي وَنُذُرِ {٣٧} |
37. Zij eischten zijne gasten, opdat zij hen zouden misbruiken; maar wij staken hunne oogen uit, zeggende: Proeft mijne wraak en mijne bedreiging. |
| وَلَقَدْ صَبَّحَهُمْ بُكْرَةً عَذَابٌ مُسْتَقِرٌّ {٣٨} |
38. En vroeg in den ochtend verraste hen eene zware straf. |
| فَذُوقُوا عَذَابِي وَنُذُرِ {٣٩} |
39. Proeft dus mijne wraak en mijne bedreiging. |
| وَلَقَدْ يَسَّرْنَا الْقُرْآنَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِنْ مُدَّكِرٍ {٤٠} |
40. Thans hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing, gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd? |
| وَلَقَدْ جَاءَ آلَ فِرْعَوْنَ النُّذُرُ {٤١} |
41. De vermaning van Mozes kwam mede tot het volk van Pharao, |
| كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا كُلِّهَا فَأَخَذْنَاهُمْ أَخْذَ عَزِيزٍ مُقْتَدِرٍ {٤٢} |
42. Maar zij beschuldigden al onze teekenen van bedrog; daarom kastijdden wij hem met eene machtige en onwederstaanbare kastijding. |
| أَكُفَّارُكُمْ خَيْرٌ مِنْ أُولَٰئِكُمْ أَمْ لَكُمْ بَرَاءَةٌ فِي الزُّبُرِ {٤٣} |
43. O bewoners van Mekka! zijn uwe ongeloovigen beter dan deze? Is u in de schriften vrijstelling van straf beloofd? |
| أَمْ يَقُولُونَ نَحْنُ جَمِيعٌ مُنْتَصِرٌ {٤٤} |
44. Zeggen zij: wij vormen een lichaam van menschen, die in staat zijn onze vijanden te bemeesteren? |
| سَيُهْزَمُ الْجَمْعُ وَيُوَلُّونَ الدُّبُرَ {٤٥} |
45. De menigte zal zekerlijk op de vlucht worden gejaagd en zij zullen hunne ruggen omkeeren. |
| بَلِ السَّاعَةُ مَوْعِدُهُمْ وَالسَّاعَةُ أَدْهَىٰ وَأَمَرُّ {٤٦} |
46. Maar het uur des oordeels is hun bedreigde straftijd, en dat uur zal droeviger en bitterder zijn, dan hunne droefheden in dit leven. |
| إِنَّ الْمُجْرِمِينَ فِي ضَلَالٍ وَسُعُرٍ {٤٧} |
47. Waarlijk, de zondaar doolt in dwaling rond, en zal hier namaals in brandende vlammen worden gemarteld. |
| يَوْمَ يُسْحَبُونَ فِي النَّارِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمْ ذُوقُوا مَسَّ سَقَرَ {٤٨} |
48. Op dien dag zullen zij met hunne aangezichten in het vuur worden geworpen, en men zal hun zeggen: Proeft de aanraking der hel. |
| إِنَّا كُلَّ شَيْءٍ خَلَقْنَاهُ بِقَدَرٍ {٤٩} |
49. Alle dingen hebben wij geschapen, aan een bepaald besluit gebonden. |
| وَمَا أَمْرُنَا إِلَّا وَاحِدَةٌ كَلَمْحٍ بِالْبَصَرِ {٥٠} |
50. En ons bevel bestaat slechts in een enkel woord, aan een oogwenk gelijk. |
| وَلَقَدْ أَهْلَكْنَا أَشْيَاعَكُمْ فَهَلْ مِنْ مُدَّكِرٍ {٥١} |
51. Wij hebben vroeger volken verdelgd, die u gelijk waren; maar is iemand uwer door hun voorbeeld gewaarschuwd? |
| وَكُلُّ شَيْءٍ فَعَلُوهُ فِي الزُّبُرِ {٥٢} |
52. Alles wat gij doet, is in het boek vermeld, dat door de wakende engelen wordt bewaard. |
| وَكُلُّ صَغِيرٍ وَكَبِيرٍ مُسْتَطَرٌ {٥٣} |
53. Elke daad, klein of groot, is op de welbewaarde tafel nedergeschreven. |
| إِنَّ الْمُتَّقِينَ فِي جَنَّاتٍ وَنَهَرٍ {٥٤} |
54. De vromen zullen echter te midden van tuinen en meren wonen. |
| فِي مَقْعَدِ صِدْقٍ عِنْدَ مَلِيكٍ مُقْتَدِرٍ {٥٥} |
55. In de vergadering der waarheid, in tegenwoordigheid van den machtigsten koning. |
 |