 |
| الرَّحِيمِ وَالصَّافَّاتِ صَفًّا {١} |
1. Ik zweer bij de engelen, die zich in orde scharen. |
| فَالزَّاجِرَاتِ زَجْرًا {٢} |
2. En bij hen die de wolken voortdrijven en verspreiden. |
| فَالتَّالِيَاتِ ذِكْرًا {٣} |
3. En bij hen, die den Koran lezen als eene vermaning, |
| إِنَّ إِلَٰهَكُمْ لَوَاحِدٌ {٤} |
4. Waarlijk, uw Heer is eenig. |
| رَبُّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا وَرَبُّ الْمَشَارِقِ {٥} |
5. De Heer van hemel en aarde en van alles wat daartusschen is, en de Heer van het Oosten. |
| إِنَّا زَيَّنَّا السَّمَاءَ الدُّنْيَا بِزِينَةٍ الْكَوَاكِبِ {٦} |
6. Wij hebben den ondersten hemel met het versiersel der sterrren getooid. |
| وَحِفْظًا مِنْ كُلِّ شَيْطَانٍ مَارِدٍ {٧} |
7. En wij hebben daarin een wachter tegen iederen weerspannigen duivel geplaatst. |
| لَا يَسَّمَّعُونَ إِلَى الْمَلَإِ الْأَعْلَىٰ وَيُقْذَفُونَ مِنْ كُلِّ جَانِبٍ {٨} |
8. Opdat zij niet luisteren naar het gesprek der verheven vorsten (want zij worden van alle zijden bestormd), |
| دُحُورًا ۖ وَلَهُمْ عَذَابٌ وَاصِبٌ {٩} |
9. En eene zware marteling is voor hen gereed gemaakt. |
| إِلَّا مَنْ خَطِفَ الْخَطْفَةَ فَأَتْبَعَهُ شِهَابٌ ثَاقِبٌ {١٠} |
10. Behalve hij, die een woord steelsgewijze opvangt, en door eene vlammende schicht wordt getroffen. |
| فَاسْتَفْتِهِمْ أَهُمْ أَشَدُّ خَلْقًا أَمْ مَنْ خَلَقْنَا ۚ إِنَّا خَلَقْنَاهُمْ مِنْ طِينٍ لَازِبٍ {١١} |
11. Vraag daarom den bewoners van Mekka, of zij van nature sterker zijn dan de engelen welke wij hebben geschapen? Waarlijk wij hebben hen van harde klei geschapen. |
| بَلْ عَجِبْتَ وَيَسْخَرُونَ {١٢} |
12. Gij verbaast u over Gods macht en hunne we�rspannigheid; maar zij spotten over de bewijsmiddelen, welke aangevoerd worden om hen te overtuigen. |
| وَإِذَا ذُكِّرُوا لَا يَذْكُرُونَ {١٣} |
13. Als zij gewaarschuwd worden, nemen zij geene waarschuwing aan. |
| وَإِذَا رَأَوْا آيَةً يَسْتَسْخِرُونَ {١٤} |
14. En als zij iets zien, spotten zij er mede. |
| وَقَالُوا إِنْ هَٰذَا إِلَّا سِحْرٌ مُبِينٌ {١٥} |
15. En zeggen: Dit is niet anders dan duidelijke tooverij. |
| أَإِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَامًا أَإِنَّا لَمَبْعُوثُونَ {١٦} |
16. Nadat wij dood zullen wezen en tot stof en beenderen zijn geworden, zullen wij dan werkelijk tot het leven worden opgewekt. |
| أَوَآبَاؤُنَا الْأَوَّلُونَ {١٧} |
17. En onze voorvaderen ook? |
| قُلْ نَعَمْ وَأَنْتُمْ دَاخِرُونَ {١٨} |
18. Antwoord: Ja! en dan zult gij veracht wezen. |
| فَإِنَّمَا هِيَ زَجْرَةٌ وَاحِدَةٌ فَإِذَا هُمْ يَنْظُرُونَ {١٩} |
19. Er zal slechts eenmaal op de trompet worden geblazen, en zij zullen rond zien. |
| وَقَالُوا يَا وَيْلَنَا هَٰذَا يَوْمُ الدِّينِ {٢٠} |
20. En zullen zeggen: Wee over ons! Dit is de dag des oordeels. |
| هَٰذَا يَوْمُ الْفَصْلِ الَّذِي كُنْتُمْ بِهِ تُكَذِّبُونَ {٢١} |
21. Dit is de dag der onderscheiding tusschen de rechtvaardigen en de zondaren, dien gij als eene leugen verwerpt. |
| احْشُرُوا الَّذِينَ ظَلَمُوا وَأَزْوَاجَهُمْ وَمَا كَانُوا يَعْبُدُونَ {٢٢} |
22. Verzamel degenen, die onrechtvaardig hebben gehandeld en hunne makkers, en de afgoden welke zij aanbaden. |
| مِنْ دُونِ اللَّهِ فَاهْدُوهُمْ إِلَىٰ صِرَاطِ الْجَحِيمِ {٢٣} |
23. Naast God, en leidt hen op den weg der hel. |
| وَقِفُوهُمْ ۖ إِنَّهُمْ مَسْئُولُونَ {٢٤} |
24. En plaats hen voor Gods vierschaar; want zij zullen geroepen worden om rekenschap af te leggen. |
| مَا لَكُمْ لَا تَنَاصَرُونَ {٢٥} |
25. Wat deert u, dat gij elkander niet verdedigt? |
| بَلْ هُمُ الْيَوْمَ مُسْتَسْلِمُونَ {٢٦} |
26. Maar op dien dag zullen zij zich aan Gods oordeel onderwerpen. |
| وَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَاءَلُونَ {٢٧} |
27. En zij zullen elkander naderen en onder elkander twisten. |
| قَالُوا إِنَّكُمْ كُنْتُمْ تَأْتُونَنَا عَنِ الْيَمِينِ {٢٨} |
28. En de verleiden zullen zeggen tot hen die hen hebben verleid: Waarlijk, gij kwaamt tot ons met voorspellingen van voorspoed. |
| قَالُوا بَلْ لَمْ تَكُونُوا مُؤْمِنِينَ {٢٩} |
29. En de verleiders zullen antwoorden: Neen! gij waart veeleer geene ware geloovigen; |
| وَمَا كَانَ لَنَا عَلَيْكُمْ مِنْ سُلْطَانٍ ۖ بَلْ كُنْتُمْ قَوْمًا طَاغِينَ {٣٠} |
30. Want wij hadden geene macht over u, om u te dwingen, maar gij hebt vrijwillig gezondigd. |
| فَحَقَّ عَلَيْنَا قَوْلُ رَبِّنَا ۖ إِنَّا لَذَائِقُونَ {٣١} |
31. Daarom werd het vonnis van onzen Heer rechtvaardig over ons uitgesproken, en wij zullen zekerlijk zijne wraak proeven. |
| فَأَغْوَيْنَاكُمْ إِنَّا كُنَّا غَاوِينَ {٣٢} |
32. Wij verleidden u, maar wij dwaalden ook zelven. |
| فَإِنَّهُمْ يَوْمَئِذٍ فِي الْعَذَابِ مُشْتَرِكُونَ {٣٣} |
33. Zij zullen op dezen dag dus beiden deelgenooten van dezelfde straf zijn. |
| إِنَّا كَذَٰلِكَ نَفْعَلُ بِالْمُجْرِمِينَ {٣٤} |
34. Zoo zullen wij met de zondaren handelen; |
| إِنَّهُمْ كَانُوا إِذَا قِيلَ لَهُمْ لَا إِلَٰهَ إِلَّا اللَّهُ يَسْتَكْبِرُونَ {٣٥} |
35. Want toen er tot hen werd gezegd: Er is geen god buiten den waren God, bliezen zij zich op met hoogmoed. |
| وَيَقُولُونَ أَئِنَّا لَتَارِكُو آلِهَتِنَا لِشَاعِرٍ مَجْنُونٍ {٣٦} |
36. En zeiden: zullen wij onze goden voor een bezeten dichter verlaten? |
| بَلْ جَاءَ بِالْحَقِّ وَصَدَّقَ الْمُرْسَلِينَ {٣٧} |
37. Neen! hij komt met de waarheid en legt getuigenis af voor de vroegere gezanten. |
| إِنَّكُمْ لَذَائِقُو الْعَذَابِ الْأَلِيمِ {٣٨} |
38. Gij zult zekerlijk de pijnlijke martelingen der hel proeven. |
| وَمَا تُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كُنْتُمْ تَعْمَلُونَ {٣٩} |
39. En gij zult niet vergolden worden, dan overeenkomstig uwe werken. |
| إِلَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ {٤٠} |
40. Maar wat de oprechte dienaren Gods betreft. |
| أُولَٰئِكَ لَهُمْ رِزْقٌ مَعْلُومٌ {٤١} |
41. Zij zullen een zekeren voorraad in het paradijs hebben: |
| فَوَاكِهُ ۖ وَهُمْ مُكْرَمُونَ {٤٢} |
42. Namelijk heerlijke vruchten, en zij zullen ge�erd worden. |
| فِي جَنَّاتِ النَّعِيمِ {٤٣} |
43. Zij zullen in tuinen des vermaaks geplaatst worden. |
| عَلَىٰ سُرُرٍ مُتَقَابِلِينَ {٤٤} |
44. Leunende in tegenover elkander geplaatste zetels. |
| يُطَافُ عَلَيْهِمْ بِكَأْسٍ مِنْ مَعِينٍ {٤٥} |
45. Een beker zal onder hen worden rondgereikt, gevuld aan eene heldere fontein; |
| بَيْضَاءَ لَذَّةٍ لِلشَّارِبِينَ {٤٦} |
46. Een heerlijkheid voor hen, die er van zullen drinken. |
| لَا فِيهَا غَوْلٌ وَلَا هُمْ عَنْهَا يُنْزَفُونَ {٤٧} |
47. Het zal het verstand niet benevelen, en zij zullen er niet door bedwelmd worden. |
| وَعِنْدَهُمْ قَاصِرَاتُ الطَّرْفِ عِينٌ {٤٨} |
48. En nabij hen zullen de maagden van het paradijs liggen, hare blikken, behalve van hunne bruidegommen, van ieder een afwendende, hebbende groote, zwarte oogen, |
| كَأَنَّهُنَّ بَيْضٌ مَكْنُونٌ {٤٩} |
49. En gelijkende op de eieren van een struisvogel, zorgvol met vederen bedekt. |
| فَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَاءَلُونَ {٥٠} |
50. En zij zullen zich tot elkander wenden, en elkander vragen doen. |
| قَالَ قَائِلٌ مِنْهُمْ إِنِّي كَانَ لِي قَرِينٌ {٥١} |
51. En een van hen zal zeggen: Waarlijk, ik had een vertrouwden vriend, terwijl ik op de wereld leefde. |
| يَقُولُ أَإِنَّكَ لَمِنَ الْمُصَدِّقِينَ {٥٢} |
52. Die tot mij zeide: Zijt gij een van hen, die de waarheid der opstanding betuigen? |
| أَإِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَامًا أَإِنَّا لَمَدِينُونَ {٥٣} |
53. Nadat wij dood zullen zijn, en tot stof en beenderen veranderd wezen, zullen wij dan zekerlijk worden geoordeeld? |
| قَالَ هَلْ أَنْتُمْ مُطَّلِعُونَ {٥٤} |
54. Dan zal hij tot zijne makkers zeggen: Wilt gij nederzien? |
| فَاطَّلَعَ فَرَآهُ فِي سَوَاءِ الْجَحِيمِ {٥٥} |
55. En zij zullen nederzien en hem in het midden der hel ontwaren. |
| قَالَ تَاللَّهِ إِنْ كِدْتَ لَتُرْدِينِ {٥٦} |
56. En hij zal tot hem zeggen: Bij God! er ontbrak weinig aan, of gij hadt mij verdorven. |
| وَلَوْلَا نِعْمَةُ رَبِّي لَكُنْتُ مِنَ الْمُحْضَرِينَ {٥٧} |
57. En was het niet door de genade van mijnen Heer, dan ware ik zeker aan eene eeuwige marteling overgeleverd geworden. |
| أَفَمَا نَحْنُ بِمَيِّتِينَ {٥٨} |
58. Zullen wij een anderen dan onzen eersten dood sterven? |
| إِلَّا مَوْتَتَنَا الْأُولَىٰ وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ {٥٩} |
59. Of ondergaan wij eenige straf? |
| إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ الْفَوْزُ الْعَظِيمُ {٦٠} |
60. Waarlijk, wij genieten eene groote gelukzaligheid. |
| لِمِثْلِ هَٰذَا فَلْيَعْمَلِ الْعَامِلُونَ {٦١} |
61. Laten de arbeiders arbeiden om eene gelukzaligheid gelijk deze te verwerven. |
| أَذَٰلِكَ خَيْرٌ نُزُلًا أَمْ شَجَرَةُ الزَّقُّومِ {٦٢} |
62. Is dit een beter onthaal, of de boom van al Zakkum? |
| إِنَّا جَعَلْنَاهَا فِتْنَةً لِلظَّالِمِينَ {٦٣} |
63. Waarlijk, wij hebben dien aangeduid als eene aanleiding tot twist onder de onrechtvaardigen |
| إِنَّهَا شَجَرَةٌ تَخْرُجُ فِي أَصْلِ الْجَحِيمِ {٦٤} |
64. Het is een boom die aan den bodem der hel ontspruit. |
| طَلْعُهَا كَأَنَّهُ رُءُوسُ الشَّيَاطِينِ {٦٥} |
65. De vrucht daarvan gelijkt op de hoofden van duivelen. |
| فَإِنَّهُمْ لَآكِلُونَ مِنْهَا فَمَالِئُونَ مِنْهَا الْبُطُونَ {٦٦} |
66. De verdoemden zullen daarvan eten, en hunne buiken daarmede vullen. |
| ثُمَّ إِنَّ لَهُمْ عَلَيْهَا لَشَوْبًا مِنْ حَمِيمٍ {٦٧} |
67. Vervolgens zal hun een mengsel van vuil en kokend water te drinken worden gegeven. |
| ثُمَّ إِنَّ مَرْجِعَهُمْ لَإِلَى الْجَحِيمِ {٦٨} |
68. Daarna zullen zij in de hel terugkeeren. |
| إِنَّهُمْ أَلْفَوْا آبَاءَهُمْ ضَالِّينَ {٦٩} |
69. Zij bevonden dat hunne vaderen dwalende waren. |
| فَهُمْ عَلَىٰ آثَارِهِمْ يُهْرَعُونَ {٧٠} |
70. En zij traden haastig in hunne voetstappen; |
| وَلَقَدْ ضَلَّ قَبْلَهُمْ أَكْثَرُ الْأَوَّلِينَ {٧١} |
71. Want het meerendeel der oude volken dwaalden v��r hen. |
| وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا فِيهِمْ مُنْذِرِينَ {٧٢} |
72. Wij zonden vroeger waarschuwers tot hen; |
| فَانْظُرْ كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الْمُنْذَرِينَ {٧٣} |
73. Maar zie hoe ellendig het einde was van degenen, die gewaarschuwd werden. |
| إِلَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ {٧٤} |
74. En die niet onze oprechte dienaren waren. |
| وَلَقَدْ نَادَانَا نُوحٌ فَلَنِعْمَ الْمُجِيبُونَ {٧٥} |
75. Noach riep ons in vroegere dagen aan, en wij verhoorden hem genadiglijk. |
| وَنَجَّيْنَاهُ وَأَهْلَهُ مِنَ الْكَرْبِ الْعَظِيمِ {٧٦} |
76. En wij bevrijdden hem en zijn gezin uit de groote ellende. |
| وَجَعَلْنَا ذُرِّيَّتَهُ هُمُ الْبَاقِينَ {٧٧} |
77. Wij deden zijne nakomelingschap den zondvloed overleven, om de aarde te bevolken. |
| وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِي الْآخِرِينَ {٧٨} |
78. En wij lieten hem de volgende begroeting door de verste nakomelingschap geven: |
| سَلَامٌ عَلَىٰ نُوحٍ فِي الْعَالَمِينَ {٧٩} |
79. Vrede zij op Noach onder alle schepselen! |
| إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ {٨٠} |
80. Zoo beloonen wij de rechtvaardigen. |
| إِنَّهُ مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ {٨١} |
81. Want hij was een van onze dienaren, de ware geloovigen. |
| ثُمَّ أَغْرَقْنَا الْآخَرِينَ {٨٢} |
82. Daarna verdronken wij de anderen. |
| وَإِنَّ مِنْ شِيعَتِهِ لَإِبْرَاهِيمَ {٨٣} |
83. Abraham was mede van zijnen godsdienst; |
| إِذْ جَاءَ رَبَّهُ بِقَلْبٍ سَلِيمٍ {٨٤} |
84. Toen hij met een volkomen hart tot zijn Heer kwam. |
| إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِ مَاذَا تَعْبُدُونَ {٨٥} |
85. Toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: Wat vreest gij? |
| أَئِفْكًا آلِهَةً دُونَ اللَّهِ تُرِيدُونَ {٨٦} |
86. Kiest gij bij voorkeur valsche goden boven den waren God? |
| فَمَا ظَنُّكُمْ بِرَبِّ الْعَالَمِينَ {٨٧} |
87. Wat is dus uwe meening opzichtens den Heer aller schepselen? |
| فَنَظَرَ نَظْرَةً فِي النُّجُومِ {٨٨} |
88. En hij beschouwde de sterren. |
| فَقَالَ إِنِّي سَقِيمٌ {٨٩} |
89. En zeide: Waarlijk, ik zal ziek wezen en niet bij uwe offeringen tegenwoordig zijn. |
| فَتَوَلَّوْا عَنْهُ مُدْبِرِينَ {٩٠} |
90. En zij keerden zich af en verlieten hem. |
| فَرَاغَ إِلَىٰ آلِهَتِهِمْ فَقَالَ أَلَا تَأْكُلُونَ {٩١} |
91. En Abraham wendde zich in het geheim tot hunne goden, en zeide spottende tot hen: Eet gij niet van het vleesch dat u is voorgezet? |
| مَا لَكُمْ لَا تَنْطِقُونَ {٩٢} |
92. Wat deert u, dat gij niet spreekt? |
| فَرَاغَ عَلَيْهِمْ ضَرْبًا بِالْيَمِينِ {٩٣} |
93. En hij keerde zich tot hen, en sloeg hen met zijne rechterhand en vernietigde hen. |
| فَأَقْبَلُوا إِلَيْهِ يَزِفُّونَ {٩٤} |
94. En zijn volk kwam haastig tot hem. |
| قَالَ أَتَعْبُدُونَ مَا تَنْحِتُونَ {٩٥} |
95. Hij zeide: Aanbidt gij de beelden die gij zelven snijdt? |
| وَاللَّهُ خَلَقَكُمْ وَمَا تَعْمَلُونَ {٩٦} |
96. Terwijl God u heeft geschapen en ook datgene wat gij maakt. |
| قَالُوا ابْنُوا لَهُ بُنْيَانًا فَأَلْقُوهُ فِي الْجَحِيمِ {٩٧} |
97. Zij zeiden: Richt een brandstapel voor hem op en werp hem in het gloeiende vuur. |
| فَأَرَادُوا بِهِ كَيْدًا فَجَعَلْنَاهُمُ الْأَسْفَلِينَ {٩٨} |
98. En zij smeedden eene list tegen hem. Maar wij deden hem het onderspit delven en bevrijdden hem. |
| وَقَالَ إِنِّي ذَاهِبٌ إِلَىٰ رَبِّي سَيَهْدِينِ {٩٩} |
99. En Abraham zeide: Waarlijk, ik ga tot mijnen Heer , die mij zal richten. |
| رَبِّ هَبْ لِي مِنَ الصَّالِحِينَ {١٠٠} |
100. O Heer! geef mij eene rechtvaardige nakomelingschap. |
| فَبَشَّرْنَاهُ بِغُلَامٍ حَلِيمٍ {١٠١} |
101. Daarom maakten wij hem bekend, dat hij een zoon zou bekomen, die een zachten aard zou hebben. |
| فَلَمَّا بَلَغَ مَعَهُ السَّعْيَ قَالَ يَا بُنَيَّ إِنِّي أَرَىٰ فِي الْمَنَامِ أَنِّي أَذْبَحُكَ فَانْظُرْ مَاذَا تَرَىٰ ۚ قَالَ يَا أَبَتِ افْعَلْ مَا تُؤْمَرُ ۖ سَتَجِدُنِي إِنْ شَاءَ اللَّهُ مِنَ الصَّابِرِينَ {١٠٢} |
102. En toen hij den ouderdom der jongelingschap had bereikt, en zich met hem in de verrichtingen van den godsdienst kon vereenigen. Zeide Abraham tot hem: O mijn zoon! waarlijk, ik zag in een droom, dat ik u als eene offerande zoude aanbieden. Overweeg dus wat gij meent, dat ik zal doen. Hij antwoordde: O mijn vader! doe wat u bevolen werd; indien het Gode behaagt, zult gij bevinden dat ik het lijdzaam zal ondergaan. |
| فَلَمَّا أَسْلَمَا وَتَلَّهُ لِلْجَبِينِ {١٠٣} |
103. En toen zij beiden zich aan den goddelijken wil hadden onderworpen, en Abraham zijn zoon voorover op het aangezicht had gelegd. |
| وَنَادَيْنَاهُ أَنْ يَا إِبْرَاهِيمُ {١٠٤} |
104. Riepen wij hem toe: O Abraham! |
| قَدْ صَدَّقْتَ الرُّؤْيَا ۚ إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ {١٠٥} |
105. Gij hebt aan uw visioen geloofd. Zoo beloonen wij den rechtvaardige. |
| إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ الْبَلَاءُ الْمُبِينُ {١٠٦} |
106. Waarlijk, dit was eene duidelijke proef. |
| وَفَدَيْنَاهُ بِذِبْحٍ عَظِيمٍ {١٠٧} |
107. En wij losten zijn zoon met een edel slachtoffer uit. |
| وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِي الْآخِرِينَ {١٠٨} |
108. En wij lieten hem de volgende groete door de verste nakomelingschap bewaren; |
| سَلَامٌ عَلَىٰ إِبْرَاهِيمَ {١٠٩} |
109. Namelijk: Vrede zij op Abraham! |
| كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ {١١٠} |
110. Zoo beloonen wij den rechtvaardige; |
| إِنَّهُ مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ {١١١} |
111. Want hij was een onzer geloovige dienaren. |
| وَبَشَّرْنَاهُ بِإِسْحَاقَ نَبِيًّا مِنَ الصَّالِحِينَ {١١٢} |
112. Wij verblijdden hem met de belofte van Iza�k, een rechtvaardigen profeet. |
| وَبَارَكْنَا عَلَيْهِ وَعَلَىٰ إِسْحَاقَ ۚ وَمِنْ ذُرِّيَّتِهِمَا مُحْسِنٌ وَظَالِمٌ لِنَفْسِهِ مُبِينٌ {١١٣} |
113. En wij zegenden hem en Iza�k; en onder hunne nakomelingschap waren eenige rechtvaardigen, en anderen, die klaarblijkelijk hunne eigene zielen nadeel toebrachten. |
| وَلَقَدْ مَنَنَّا عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَارُونَ {١١٤} |
114. Wij waren ook vroeger genadig omtrent Mozes en A�ron. |
| وَنَجَّيْنَاهُمَا وَقَوْمَهُمَا مِنَ الْكَرْبِ الْعَظِيمِ {١١٥} |
115. En wij bevrijdden hen en hun volk van eene groote ellende. |
| وَنَصَرْنَاهُمْ فَكَانُوا هُمُ الْغَالِبِينَ {١١٦} |
116. Wij ondersteunden hen tegen de Egyptenaren, en zij werden overwinnaars. |
| وَآتَيْنَاهُمَا الْكِتَابَ الْمُسْتَبِينَ {١١٧} |
117. Wij gaven hun het duidelijke boek der wet. |
| وَهَدَيْنَاهُمَا الصِّرَاطَ الْمُسْتَقِيمَ {١١٨} |
118. Wij leidden hen op den rechten weg. |
| وَتَرَكْنَا عَلَيْهِمَا فِي الْآخِرِينَ {١١٩} |
119. En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hen bewaren; |
| سَلَامٌ عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَارُونَ {١٢٠} |
120. Namelijk: Vrede zij op Mozes en A�ron! |
| إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ {١٢١} |
121. Zoo beloonen wij de rechtvaardigen. |
| إِنَّهُمَا مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ {١٢٢} |
122. Want zij waren twee onzer geloovige dienaren. |
| وَإِنَّ إِلْيَاسَ لَمِنَ الْمُرْسَلِينَ {١٢٣} |
123. En Elias was mede een dergenen, die door ons werden gezonden. |
| إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِ أَلَا تَتَّقُونَ {١٢٤} |
124. Toen hij tot zijn volk zeide: Vreest gij God niet? |
| أَتَدْعُونَ بَعْلًا وَتَذَرُونَ أَحْسَنَ الْخَالِقِينَ {١٢٥} |
125. Roept gij Baal aan, en verzaakt gij den uitmuntendsten schepper? |
| اللَّهَ رَبَّكُمْ وَرَبَّ آبَائِكُمُ الْأَوَّلِينَ {١٢٦} |
126. God is uw Heer en de Heer uwer voorvaderen. |
| فَكَذَّبُوهُ فَإِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ {١٢٧} |
127. Maar zij beschuldigden hem van bedrog. |
| إِلَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ {١٢٨} |
128. Weshalve zij aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd, behalve de oprechte dienaren Gods |
| وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِي الْآخِرِينَ {١٢٩} |
129. En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hem bewaren. |
| سَلَامٌ عَلَىٰ إِلْ يَاسِينَ {١٣٠} |
130. Namelijk: Vrede zij op Ilyasin! |
| إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ {١٣١} |
131. Zoo beloonen wij den rechtvaardige. |
| إِنَّهُ مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ {١٣٢} |
132. Want hij was een onzer geloovige dienaren. |
| وَإِنَّ لُوطًا لَمِنَ الْمُرْسَلِينَ {١٣٣} |
133. En Lot was mede een dergenen, die door ons werden gezonden. |
| إِذْ نَجَّيْنَاهُ وَأَهْلَهُ أَجْمَعِينَ {١٣٤} |
134. Toen wij hem en zijn geheel gezin bevrijden. |
| إِلَّا عَجُوزًا فِي الْغَابِرِينَ {١٣٥} |
135. Behalve eene oude vrouw, zijne huisvrouw, die omkwam met hen die achterbleven. |
| ثُمَّ دَمَّرْنَا الْآخَرِينَ {١٣٦} |
136. Daarna verdelgden wij de anderen. |
| وَإِنَّكُمْ لَتَمُرُّونَ عَلَيْهِمْ مُصْبِحِينَ {١٣٧} |
137. En gij, o bewoners van Mekka! komt de plaatsen voorbij waar zij eens hebben gewoond, als gij des ochtends reist. |
| وَبِاللَّيْلِ ۗ أَفَلَا تَعْقِلُونَ {١٣٨} |
138. En des nachts. Zult gij dan niet begrijpen? |
| وَإِنَّ يُونُسَ لَمِنَ الْمُرْسَلِينَ {١٣٩} |
139. Jonas was mede een dergenen die door ons werden gezonden. |
| إِذْ أَبَقَ إِلَى الْفُلْكِ الْمَشْحُونِ {١٤٠} |
140. Toen hij in een geladen schip vluchtte. |
| فَسَاهَمَ فَكَانَ مِنَ الْمُدْحَضِينَ {١٤١} |
141. En zij die aan boord waren, lootten onder elkander en hij werd veroordeeld. |
| فَالْتَقَمَهُ الْحُوتُ وَهُوَ مُلِيمٌ {١٤٢} |
142. En de visch verzwolg hem; want hij had eene bestraffing verdiend. |
| فَلَوْلَا أَنَّهُ كَانَ مِنَ الْمُسَبِّحِينَ {١٤٣} |
143. En indien hij niet eene ware geweest van hen die God loven. |
| لَلَبِثَ فِي بَطْنِهِ إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ {١٤٤} |
144. Waarlijk, dan ware hij, tot den dag der opstanding, in den buik van den visch gebleven. |
| فَنَبَذْنَاهُ بِالْعَرَاءِ وَهُوَ سَقِيمٌ {١٤٥} |
145. En wij wierpen hem op het naakte strand, en hij was ziek. |
| وَأَنْبَتْنَا عَلَيْهِ شَجَرَةً مِنْ يَقْطِينٍ {١٤٦} |
146. Wij deden een pompoenplant over hem heen groeien. |
| وَأَرْسَلْنَاهُ إِلَىٰ مِائَةِ أَلْفٍ أَوْ يَزِيدُونَ {١٤٧} |
147. Wij zonden hem daarna tot een volk van honderdduizend zielen of meer. |
| فَآمَنُوا فَمَتَّعْنَاهُمْ إِلَىٰ حِينٍ {١٤٨} |
148. En zij geloofden: daarom lieten wij hun dit leven nog voor eenigen tijd genieten. |
| فَاسْتَفْتِهِمْ أَلِرَبِّكَ الْبَنَاتُ وَلَهُمُ الْبَنُونَ {١٤٩} |
149. Vraag aan de bewoners van Mekka of uw Heer dochters heeft gelijk zij zonen hebben? |
| أَمْ خَلَقْنَا الْمَلَائِكَةَ إِنَاثًا وَهُمْ شَاهِدُونَ {١٥٠} |
150. Hebben wij ook de engelen van het vrouwelijke geslacht geschapen, en waren zij er getuigen van? |
| أَلَا إِنَّهُمْ مِنْ إِفْكِهِمْ لَيَقُولُونَ {١٥١} |
151. Zeggen zij niet, volgens hunne eigene, valsche uitvinding: |
| وَلَدَ اللَّهُ وَإِنَّهُمْ لَكَاذِبُونَ {١٥٢} |
152. God heeft eene nakomelingschap gebaard? en zij zijn niet werkelijk leugenaars? |
| أَصْطَفَى الْبَنَاتِ عَلَى الْبَنِينَ {١٥٣} |
153. Heeft hij bij voorkeur dochters boven zonen verkozen? |
| مَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ {١٥٤} |
154. Gij hebt geene reden aldus te oordeelen. |
| أَفَلَا تَذَكَّرُونَ {١٥٥} |
155. Wilt gij dus niet vermaand wezen? |
| أَمْ لَكُمْ سُلْطَانٌ مُبِينٌ {١٥٦} |
156. Of hebt gij een duidelijk bewijs voor hetgeen gij zegt? |
| فَأْتُوا بِكِتَابِكُمْ إِنْ كُنْتُمْ صَادِقِينَ {١٥٧} |
157. Brengt thans uw boek der openbaringen voor den dag, indien gij de waarheid spreekt. |
| وَجَعَلُوا بَيْنَهُ وَبَيْنَ الْجِنَّةِ نَسَبًا ۚ وَلَقَدْ عَلِمَتِ الْجِنَّةُ إِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ {١٥٨} |
158. En zij maken hem tot een verwante der geniussen, terwijl de geniussen weten, dat hij, die zulke dingen verklaart, aan de eeuwige straf zal worden overgeleverd. |
| سُبْحَانَ اللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ {١٥٩} |
159. (God is verheven, boven datgene wat zij nopens hem verklaren): |
| إِلَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ {١٦٠} |
160. Maar niet Gods oprechte dienaren. |
| فَإِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ {١٦١} |
161. Maar gij en de goden, welke gij aanbidt, |
| مَا أَنْتُمْ عَلَيْهِ بِفَاتِنِينَ {١٦٢} |
162. Zullen niemand nopens God verleiden. |
| إِلَّا مَنْ هُوَ صَالِ الْجَحِيمِ {١٦٣} |
163. Behalve hem die bestemd is om in de hel verbrand te worden. |
| وَمَا مِنَّا إِلَّا لَهُ مَقَامٌ مَعْلُومٌ {١٦٤} |
164. Er is niemand van ons, of hij heeft een bestemde plaats. |
| وَإِنَّا لَنَحْنُ الصَّافُّونَ {١٦٥} |
165. Wij scharen ons in orde, |
| وَإِنَّا لَنَحْنُ الْمُسَبِّحُونَ {١٦٦} |
166. Gods bevelen afwachtende, en wij verkondigen den goddelijken lof. |
| وَإِنْ كَانُوا لَيَقُولُونَ {١٦٧} |
167. De ongeloovigen zeiden: |
| لَوْ أَنَّ عِنْدَنَا ذِكْرًا مِنَ الْأَوَّلِينَ {١٦٨} |
168. Indien wij door een boek met goddelijke openbaringen waren begunstigd geworden, van diegene welke aan de ouden werden geschonken. |
| لَكُنَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ {١٦٩} |
169. Zouden wij zeker oprechte dienaren Gods zijn geweest; |
| فَكَفَرُوا بِهِ ۖ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ {١٧٠} |
170. Maar thans, nu de Koran is geopenbaard, gelooven zij daarin niet; doch hier namaals zullen zij het gevolg van hun ongeloof kennen. |
| وَلَقَدْ سَبَقَتْ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا الْمُرْسَلِينَ {١٧١} |
171. Ons woord werd vroeger aan onze dienaren, de gezanten, gegeven. |
| إِنَّهُمْ لَهُمُ الْمَنْصُورُونَ {١٧٢} |
172. Dat zij zekerlijk tegen de ongeloovigen zouden ondersteund worden, |
| وَإِنَّ جُنْدَنَا لَهُمُ الْغَالِبُونَ {١٧٣} |
173. En dat onze legers de overwinning zouden behalen. |
| فَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ {١٧٤} |
174. Wend u dus gedurende eenen tijd van hen af. |
| وَأَبْصِرْهُمْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ {١٧٥} |
175. En zie de rampen die hen zullen bedroeven; want zij zullen uwe toekomstige overwinning en uwen voorspoed zien. |
| أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ {١٧٦} |
176. Trachten zij daarom onze wraak te verhaasten? |
| فَإِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِهِمْ فَسَاءَ صَبَاحُ الْمُنْذَرِينَ {١٧٧} |
177. Waarlijk, wanneer die in hunne afgesloten hoven zal nederdalen, zal het een slechte ochtend zijn voor hen, die te vergeefs werden gewaarschuwd. |
| وَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ {١٧٨} |
178. Wend u dus voor eenigen tijd van hen af. |
| وَأَبْصِرْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ {١٧٩} |
179. Hierna zullen zij uwe overwinning en hunne straf ontwaren. |
| سُبْحَانَ رَبِّكَ رَبِّ الْعِزَّةِ عَمَّا يَصِفُونَ {١٨٠} |
180. Geloofd zij uw Heer, de Heer die verre verheven is boven hetgeen zij van hem verklaren! |
| وَسَلَامٌ عَلَى الْمُرْسَلِينَ {١٨١} |
181. Vrede zij op zijne gezanten. |
| وَالْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ {١٨٢} |
182. En geloofd zij God, de Heer van alle schepselen! |
 |